Een zenuw is een onderdeel
van het zenuwstelsel en bestaat uit
gebundelde uitlopers van zenuwcellen.
Zenuwen bevatten twee typen zenuwvezels:
snelle en trage vezels. Langs een
zenuwvezel worden fysiologische signalen
doorgegeven door verandering van de
elektrische potentiaal over de celmembraan
(1). Bij snelle vezels gaat dat met grote
snelheid (enige meters per seconde), bij
langzame vezels wordt de snelheid uitgedrukt
in centimeters per seconde. Het mechanisme
is overigens bij snelle en bij langzame
vezels grotendeels gelijk, maar bij snelle
vezels maakt het depolarisatiefront grotere
sprongen door de aanwezigheid van een
isolerende myelineschede om de vezel, die
wordt gevormd door de cellen van Schwann
(2).
Zenuwen geleiden zowel
signalen van de hersenen via het ruggenmerg
(3) naar de spieren, waardoor de spieren
samentrekken, als informatie van de
zintuigen naar het ruggenmerg en de hersenen
toe. Daarvoor heeft de zenuwcel, die meestal
in het centraal zenuwstelsel ligt, uitlopers
genaamd axonen (4) en dendrieten (5). Axonen
geleiden van de zenuwcel af, dendrieten er
naartoe. Bestaat een zenuw uitsluitend uit
vezels die spieren prikkelen tot
samentrekken, dan gaat het om een
motorische zenuw; in het andere geval
spreekt men van een sensorische zenuw
of gevoelszenuw. Komen beide voor,
dan is het een gemengde zenuw.
De informatieoverdracht
tussen zenuwcellen onderling en naar andere
cellen gaat via synapsen (6). Hierbij wordt
meestal een chemische stof, een
neurotransmitter (7), overgedragen van de
ene cel op de andere. Bekende
neurotransmitters zijn acetylcholine,
dopamine en serotonine. Er zijn echter ook
elektrische synapsen, die een
snellere informatieoverdracht mogelijk
maken.
1) De celmembraan is
een structuur rond een cel, opgebouwd uit
een dubbele fosfolipidenlaag, eiwitten en
cholesterol.
De celmembraan is semi-permeabel ofwel
selectief doorlatend. Sommige van de
eiwitten spelen een rol in het transport van
stoffen, andere zijn dan weer enzymen of
dienen als herkenningspunten voor
regulerende stoffen zoals hormonen.
2)
Schwanncellen zijn
gliacellen die geassocieerd
zijn met het axon van
sommige zenuwcellen. Elke
cel vormt 1 segment van een
myelineschede, en tussen elk
segment vindt men de knopen
van Ranvier. Schwanncellen
verzorgen alleen de
myelinisatie in het perifeer
zenuwstelsel, in het
centraal zenuwstelsel zorgen
oligodendrocieten hiervoor.
De cellen van Schwann hebben
als functie om de
prikkelgeleiding in de axon
te versnellen. Een axon
zonder myelineschede kan een
prikkel voortgeleiden met
een snelheid van 3 à 4 m/s
maar met een myelineschede
kan dit oplopen tot 120 m/s.
Deze snelheid komt goed van
pas als men snel moet
reageren in
levensbedreigende situaties.
Een myelineschede heeft ook
een beschermende en
ondersteunende functie bij
de axon. Als een axon
afsterft, kan hij sneller
weer aangroeien doordat de
axon als het ware een tunnel
heeft om zich door te
begeven. De myelineschede
blijkt bij
elektronenmicroscopisch
onderzoek te bestaan uit een
vele malen om de axon
gerolde dubbele lipidenlaag,
zoals ook in celmembranen
voorkomt.
3) Het
ruggenmerg (lat. Medulla
spinalis, grieks μύελος –
myelos)) is bij gewervelde
dieren dat deel van het
centrale zenuwstelsel dat
zich niet in de schedel maar
in een kanaal in de
wervelkolom, het
ruggenmergkanaal bevindt
4) Een
axon (van
het Griekse
woord voor
as) of
neuriet is
een uitloper
van een
neuron dat
elektrische
impulsen
geleidt.
Axonen zijn
de primaire
elementen
van
informatieoverdracht
in het
zenuwstelsel.
Ze kunnen
soms langer
dan één
meter
worden. Een
axon heeft
een typische
diameter van
ongeveer één
micrometer.
Efferente
axonen
leiden
signalen van
het centrale
zenuwstelsel
naar het
perifere
zenuwstelsel,
afferente
axonen
leiden een
signaal
vanuit de
periferie
naar het
centrale
zenuwstelsel.
De termen
afferent en
efferent
worden ook
gebruikt om
de relatieve
connecties
tussen
structuren
in de
hersenen
te
beschrijven.
In de meeste
gewervelde
dieren zijn
axonen
omgeven door
myeline; een
vettige stof
die de
axonen
beschermt en
tegelijk
zorgt dat de
elektrische
impuls
sneller kan
worden
doorgegeven.
De myeline
wordt
gevormd door
twee typen
gliacellen;
in het
centraal
zenuwstelsel
wordt het
gevormd door
oligodendrocyten,
in het
perifere
zenuwstelsel
door cellen
van Schwann.
Tussen de
myelinescheden
zitten
kleine
uitsparingen,
waar
extracellulaire
vloeistof de
axon raakt.
Deze
uitsparingen
noemen we
knopen van
Ranvier (dit
zijn tevens
de plekken
waar
ionkanalen
voorkomen).
Op de
plekken waar
de knopen
van Ranvier
zich
bevinden
gaat de
informatieoverdracht
bijzonder
snel, dit
noemen we
saltatie
(van het
Latijnse
saltare =
springen).
De impuls
springt hier
als het ware
over naar
het volgende
gemyelineerde
deel van de
axon.
5)
Dendrieten
(van het
Griekse
dendron,
"boom") zijn
de vertakte
uitlopers
van een
zenuwcel
(neuron). Ze
geleiden
elektrische
signalen die
afkomstig
zijn van
andere
neuronen van
en naar het
cellichaam
van het
neuron waar
ze zelf toe
behoren.
Deze
signalen
worden
overgedragen
via
synapsen,
welke zich
op
verscheidene
plekken van
de
zogenaamde
dendritische
boom
bevinden.
Dendrieten
spelen een
belangrijke
rol in het
integreren
van de
binnenkomende
signalen en
het bepalen
of deze
signalen
verder
doorgegeven
worden naar
andere
zenuwcellen.