Het vrije oppervlak van
het lichaam wordt bekleed door epitheelweefsel.
Ditzelfde weefsel vormt ook de bekleding van
de verschillende lichaamsholten.
Epitheelcellen sluiten
zonder intercellulaire stof op elkaar aan
zodat moleculen niet of nauwelijks tussen de
cellen door kunnen diffunderen. Wel kunnen
moleculen het epitheel passeren. Dan is er
sprake van actief transport door de
epitheelcellen, die aan de ene zijde
moleculen opnemen en ze gelijktijdig aan de
andere zijde uitscheiden. Dergelijk
resoberend epitheel vinden we bijvoorbeeld
in de darmwand en de nier.
De bekledende
epitheelcellen kunnen in een of meerdere
lagen gerangschikt zijn. De cellen kunnen
verschillende vormen hebben variërend van
heel dun en afgeplat tot hoogcilindrisch. We
spreken dan ook van een éénlagig plat,
kubisch of cilindrisch epitheel. De cellen
van meer lagige epithelia zijn zeker in de
buitenste lagen bijna altijd sterk afgeplat.
Soms bestaat meerlagig epitheel geheel uit
levende cellen, zoals bij het hoornvlies
soms zijn de cellen van de buitenste lagen
dood en bestaan ze helemaal uit een
hoornachtig materiaal keratine. Dit is het
geval bij het epitheel dat de huid bekleedt.
Epitheel bevat geen
bloedvaten. Aan- en afvoer van stoffen voor
de epitheelcellen geschiedt via de
bloedvaten in het eronder gelegen
bindweefsel door middel van diffusie.
Een speciale variant
van het epitheel wordt gevormd door de
klierweefsels . Hoewel klierweefsel meestal
ook grenst aan een holte (de afvoergang van
een klier ), is de bedekkende functie
ondergeschikt geworden aan de productie en
uitscheiding van allerhande stoffen. Denk
hierbij aan speekselklieren, de alvleesklier
of pancreas . Ook de lever is op te vatten
als een ingewikkeld gebouwde klier. Ze
bestaat dan ook grotendeels uit
epitheelweefsel.
Soms vinden we in het
lichaam ook groepjes kliercellen die niet
grenzen aan een afvoergang, maar zo maar los
in het bindweefsel liggen. Dit noemen we
endocriene klieren. De afvoer van hun
afscheidingsproducten of hormonen verloopt
via het bloed.
2) Een
klier is een weefsel dat het
produceren of transporteren
van bepaalde stoffen als
doel heeft. Klieren worden
onderscheiden in klieren met
interne secretie (endocrien)
en klieren met externe
secretie (exocrien).
Endocriene klieren geven hun
product direct af aan het
bloed of andere organismen
binnen in het lichaam,
terwijl exocriene klieren
hun product dmv een buisje
naar buiten toe afgeven of
aan een holte in het
lichaam.
Voorbeelden zijn:
-
Interne secretie,
endocriene klieren:
-
De
alvleesklier
produceert insuline
en glucagon .
Insuline verlaagt
het
bloedsuikergehalte,
en glucagon verhoogt
het
bloedsuikergehalte.
-
Schildklier
-
Een
kleine maar
belangrijke en
gecompliceerde klier
is wel de hypofyse,
gelegen in de
hersenen. Deze klier
produceert een scala
aan hormonen die
veel veranderingen
in het lichaam
regelt. Zelfs de
menselijke stemming
hangt deels af van
de stoffen die deze
klier produceert, of
juist niet.
-
Kliercellen bij
planten die
etherische olie
produceren.
-
Externe secretie,
exocriene klieren:
-
De
alvleesklier
produceert o.a.
enzymen voor de
spijsvertering.
-
Speekselklieren
liggen in de mond en
produceren speeksel.
-
Zweetklieren liggen
in de huid en
produceren zweet.
-
Talgklieren
-
Traanklieren
bevinden zich in de
ooghoeken en
produceren
traanvocht.
-
Melkklieren in de
borst geven de
geproduceerde melk
af via de tepel.
3) Het bindweefsel -
eigenlijk zouden we moeten spreken van 'de
bindweefsels' - maakt onderdeel uit van alle
organen van het lichaam van mens en dier.
Bindweefsel heeft een steunende, dan wel
verzorgende functie. Bindweefsel beschermt
de organen en bepaalt hun vorm. De
onderlinge beweeglijkheid van de organen
wordt verzorgd door het bindweefsel.
Bindweefsel vormt tevens de weg waarlangs
bloedvaten en zenuwen naar de organen worden
geleid; de meest verbindende van alle
bindweefselfuncties.
Een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk
waarin de bindweefsels zich onderscheiden
van de andere weefsel is het feit dat
bindweefsel bestaat uit een populatie van
gespecialiseerde cellen, ingebed in grote
hoeveelheden tussencelstof of
intercellulaire matrix. De cellen staan
hooguit via dunne uitlopers of soms in het
geheel niet in direct contact met elkaar.
Het zijn de verschillen in eigenschappen van
de matrix die in belangrijke mate het
functionele verschil tussen de diverse
bindweefsels bepalen.
4) Dwarsgestreept
spierweefsel bestaat uit spiervezels en die
op hun beurt weer bestaan uit spierfibrilen.
Elke spiervezel is ontstaan door versmelting
van vele spiercellen. Een spiervezel bevat
dan ook veel kernen. Met eenmicroscoop is
bij deze spiervezels een dwarse streping te
zien. Veel dwarsgestreepte spieren zitten
vast aan delen van het skelet (de
skeletspieren ). Sommige dwarsgestreepte
spieren zitten met een of beide uiteinden
vast aan de huid (de huidspieren).
Voorbeelden van huidspieren zijn spieren in
het gelaat en de spieren in de tong.