Slangen (Serpentes) zijn een onderorde van reptielen die samen met de hagedissen tot de orde schubreptielen (Squamata) behoort. Slangen hebben zonder uitzondering een naar verhouding zeer lang en dun lichaam zonder ledematen en bewegen zich voort op de buik. Er zijn ongeveer 2700 verschillende soorten beschreven, waarvan er ongeveer 450 giftig zijn en zo'n 250 soorten kunnen in principe een mens doden. Slangen zijn over de hele wereld verspreid, met uitzondering van Ierland, IJsland, Nieuw-Zeeland en een aantal eilanden in de Grote Oceaan.

Omdat ze koudbloedig zijn, leven de meeste soorten in warmere streken. Een aantal soorten is aangepast op het leven in extreem droge omgevingen, zoals woestijnen. Er zijn echter ook slangen die ondergronds leven en veel graven of juist aangepast zijn op een leven in water zoals in rivieren en meren en zelfs in de zee.

Het lange dunne lichaam heeft als voordeel dat een slang sneller op kan warmen en af kan koelen, wat wel thermoregulatie wordt genoemd. Ook kan een slang door zijn lenige en vaak gespierde lichaam vrijwel overal in, tussen en onder kruipen om te schuilen of op prooien te jagen. Wurgslangen zijn sterk gespierd om de prooi te kunnen wurgen.

De meeste slangen leven op of dicht bij de bodem, maar vrijwel alle slangen kunnen goed zwemmen en klimmen. In tropische bossen komen meer boombewonende slangen voor, die overdag rusten in bomen en 's nachts op jacht gaan. In woestijnen zijn de slangen bodembewonend en graven zich vaak in

Slangen hebben altijd dezelfde lichaamsvorm, maar verschillen wel iets in de bouw. Met name de grootte is variabel, sommige soorten blijven rond de 15 centimeter, er zijn ook slangen die meer dan 7 meter lang kunnen worden. Ook zijn er zowel relatief zeer lange en dunne slangen als slangen die niet zo lang worden maar zo dik zijn als een vuist. De dwarsdoorsnede varieert van rond tot ovaal of driehoekig, veel soorten platten het lichaam af bij de voortbeweging of om te zonnen.

Slangen hebben een schubbenhuid die er soms glibberig uitziet maar altijd droog is. De vorm en functie van de schubben kan sterk afwijken. Soorten die veel graven of zwemmen hebben platte, gladde schubben om minder last te ondervinden van de wrijving. Andere soorten hebben gekielde, Λ-vormige schubben om een betere grip te hebben als ze in bomen klimmen. Tenslotte zijn er ook soorten met wrat-achtige bulterige schubben, zoals de Javaanse wrattenslang. Vrijwel alle slangen hebben op de buik grovere schubben om de kwetsbare buik te beschermen, de buikschubben spelen ook een rol in de voortbeweging. Als een slang vervelt, doet het dier dat in één keer, in tegenstelling tot alle andere reptielen waarvan de huid afbladdert (hagedissen) of de beenplaten één voor een loslaten (schildpadden, krokodilachtigen). De vervellingshuiden zijn een belangrijk hulpmiddel bij het onderzoek naar slangen. De huiden die we vinden zijn binnenste buiten gekeerd omdat de slang zijn huid afstroopt. Ook is de vervellingshuid ongeveer 10% langer dan de slang. Vlak voordat de slang moet vervellen krijgt de slang typisch grijzige ogen, doordat er zich wat vocht tussen de oude en nieuwe huid bevindt en ziet hij erg slecht.

     

           Mexicaanse koningslang                                                        Boa constrictor

In tegenstelling tot een hagedis heeft een slang gefuseerde, doorzichtige oogleden. Als een slang vervelt lijkt het alsof de ogen mee-vervellen. Een slang heeft hier veel gemak bij omdat hij vaak op de bodem leeft en er zo geen zand in de ogen kan komen. Bovendien wordt periodiek zijn 'bril' vernieuwd, die bij het graven bekrast wordt. Er zijn ook uitzonderingen die wel beweegbare oogleden hebben, zoals de schildstaartslangen (familie Uropeltidae). De kleuren van slangen dienen verschillende doeleinden, de meeste soorten zijn gecamoufleerd en hebben bruine tot groene kleuren. Sommige giftige soorten hebben juist felle kleuren zodat vijanden weten dat ze op moeten passen. Er zijn ook onschuldige soorten die gevaarlijke soorten in kleur en vorm imiteren, dit wordt mimicry genoemd. Dit verschijnsel gaat ver; er zijn zelfs hagedissen die slangen imiteren, zoals de zwartkopschubpoothagedis, die de Australische taipan imiteert, een zeer gevaarlijke gifslang. Sommige slangen hebben afwijkende kenmerken, zoals de tentakelslang, die twee baarddraden heeft. Cobra's hebben vaak typische flappen aan weerszijden van de kop die getoond worden bij verstoring. Enkele soorten hebben hoorntjes, zoals de wipneusadder en de hoornadder. De ratelslangen staan bekend om hun verhoornde, uit schijfjes bestaande staartpunt.

 

De organen van slangen zijn net als het lichaam zeer langwerpig van vorm. Sommige gepaarde organen, zoals de nieren en de testikels, liggen niet naast elkaar maar boven elkaar om de lichaamsruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Met name de spijsverteringsorganen beslaan bijna het hele lichaam, het voedsel komt via de slokdarm in de maag, en begint daarna een lange reis door de darmen. Omdat slangen de prooi in een keer doorslikken en vaak behaarde, gevederde of geschubde prooien eten, is de spijsvertering zeer goed ontwikkeld. Een slang gebruikt bij de ademhaling maar één ontwikkelde long, dit is altijd de rechterlong. De linkerlong is sterk onderontwikkeld en ontbreekt bij een aantal soorten zelfs volledig. Ook deze aanpassing dient waarschijnlijk om ruimte te besparen en is een belangrijk verschil met de hagedissen, die altijd twee ontwikkelde longen hebben. Een aantal soorten slangen heeft tracheale longen, eigenlijk een onderdeel van de luchtpijp, die zuurstof opnemen. De ademhaling geschiedt door de lichaamsspieren en de bewegingen van de ribben. Slangen hebben een luchtzak, maar deze dient voornamelijk om de druk in het lichaam te regelen. Slangen hebben een orgaan van Jacobson (niet afgebeeld), net als sommige hagedissen zoals skinken en varanen. Met dit orgaan kan de slang goed ruiken, en voor een grotere efficiëntie kwispelt de slang met de tong om meer geurdeeltjes op te vangen. Omdat de tong gespleten is kan de slang 'in stereo' ruiken.

 

De anatomie van een slang: 1=slokdarm, 2=luchtpijp,3=tracheale long,4=rudimentair linkerlong, 5=rechterlong, 6=hart, 7=lever, 8=maag, 9=luchtzak, 10=galblaas, 11=pancreas, 12=milt, 13=darmen, 14=testikels, 15=nieren

 

Slangen hebben zeer veel wervels, ongeveer 160 tot meer dan 400, afhankelijk van de soort. Dit is de reden dat slangen zo lenig zijn, een borstbeen ontbreekt. Iedere wervel is steeds voorzien van twee ribben, die in verbinding staan met de buikschubben, waardoor de slang zich voort kan bewegen. Slangen hebben verschillende schedelvormen; soorten die grote prooien verzwelgen zullen een brede kop met veel kaakmassa en kaakspieren hebben, gravende soorten hebben meer baat bij een platte, wigvormige kop. De schedel van slangen is bij de eerste groep duidelijk te onderscheiden van het lichaam, bij de laatste groep is een insnoering niet of nauwelijks zichtbaar. De kaakdelen van slangen die grotere prooien eten zijn aangepast, en kunnen extreem ver worden opengesperd zonder dat het dier daar last van heeft. Hierdoor kan de slang prooien eten met een grotere diameter dan het lichaam. De linker- en rechterhelft van de kaken zijn niet met elkaar vergroeid, en de kaakdelen zijn met pezen verbonden, de kaken zijn hierdoor flexibeler.

Slangen zijn te onderscheiden aan het type gebit, dat bestaat uit rijen vele kleine scherpe tanden om de prooi vast te houden, gifslangen hebben daarnaast giftanden. Een groot aantal soorten giftige slangen is ongevaarlijk voor de mens. Dit komt omdat de tanden te ver achter in de bek staan, het gif te zwak is, er te weinig wordt toegediend of het gif simpelweg niet werkt op mensen. Het gif van een aantal soorten bevat stoffen die gebruikt worden in de medische wereld om medicijnen van te maken. Een voorbeeld is het cardiotoxine sarafotoxine, afkomstig van soorten uit de relatief onbekende familie Atractaspididae. Het gebit van slangen is onder te verdelen in vier groepen; één voor de niet-giftige slangen (aglyf), en drie voor de giftige slangen (opisthoglyf, proteroglyf en solenoglyf). De wetenschappelijke namen geven enigszins al aan hoe het zit, want;

  • A- glyf betekent letterlijk geen-tand
  • Opistho betekent achter,
  • Protero betekent voor,
  • Soleno betekent buisvormig.

Soms worden de slangen wel ingedeeld naar gebitstype, en worden meer wetenschappelijke termen gebruikt, respectievelijk Aglypha, Opisthoglypha, Proteroglypha en Solenoglypha

Aglyf wil zeggen dat een slang geen gespecialiseerde giftanden heeft. De meeste soorten slangen zijn aglyf en hebben geen giftanden, gifklieren of groeven waar gif doorheen stroomt. Voorbeelden zijn wurgslangen als pythons en boa's, die geen gif nodig hebben omdat ze de prooi wurgen. Alle slangen hebben massieve, naar achteren gerichte tanden om de prooi beter vast te kunnen houden bij het doorslikken. Met name soorten die amfibieën of vissen eten is dit handig omdat veel prooien slijm produceren als ze worden aangevallen. Giftige slangen zijn te verdelen in drie groepen;

Opisthoglyfe slangen hebben twee iets vergrote giftanden die meer achterin de bek staan. Een prooi zit al in de bek als deze er mee in aanraking komt en het gif heeft een werking die voornamelijk de spijsvertering ondersteunt. De slangensoorten met dergelijke giftanden komen ook voor in families van over het algemeen niet-giftige slangen, zoals de familie gladde slangen (Colubridae). Sommige soorten kunnen echter, als men er al in slaagt om zich aan de achter in de bek staande giftanden te prikken, levensgevaarlijk zijn.

Proteroglyfe slangen hebben wel giftanden, maar deze zijn relatief kort en onbeweeglijk. De giftanden zijn gegroefd en staan voor in de bek in de bovenkaak. Het gif stroomt door de groef in de giftand naar de wond, om de efficiëntie te vergroten moet de slang kauwbewegingen maken. Slangen met dergelijke giftanden vindt men in de familie gifslangen (Elapidae), voorbeelden zijn cobra's, koraalslangen, mamba's en zeeslangen.

Solenoglyf zijn slangen die het best ontwikkelde gifapparaat hebben en bezitten juist heel grote giftanden die als ze niet worden gebruikt naar achteren tegen het gehemelte geklapt zitten. Pas bij een beet worden de tanden automatisch opengeklapt, klaar om toe te slaan. Vanwege het vermogen de giftanden in te klappen zijn deze veel langer zodat het gif dieper in de prooi wordt geïnjecteerd, wat de efficiëntie sterk vergroot. Sommige soorten hebben giftanden van enkele centimeters lang. De tanden zijn hol en staan in directe verbinding met de gifklieren. Omdat solenoglyfe slangen niet eerst een kauwbeweging hoeven te maken maar het gif direct injecteren zijn veel soorten erg gevaarlijk. Voorbeelden van solenoglyfe slangen zijn de soorten uit de familie adders, met als bekende groepen de groefkopadders en de pofadders.

 

Alle slangen zijn carnivoor, dus vleesetend, de meeste slangen blijven klein en eten kleinere prooien als insecten. Sommige soorten zijn insectivoor omdat ze uitsluitend insecten eten, of leven juist geheel van (naakt)slakken. Soorten als de hagedisslang en de katslang eten enkel en alleen hagedissen. Van sommige soorten, waaronder wurgslangen, is bekend dat ze wel eens bessen of vruchten eten. Ook zijn er soorten die uitsluitend leven van eieren. Een aantal soorten, zoals de koningsslang, is zelfs gespecialiseerd in giftige slangen, en wordt hierdoor zeer gewaardeerd door de locale bevolking. Grotere soorten eten ook grotere prooien als knaagdieren. Deze hebben vaak scherpe tanden en zullen zich verdedigen en de slang aanvreten. De meeste grotere slangen zijn daarom giftig of kunnen de prooi wurgen waardoor deze snel sterft door verstikking. Een prooi met beharing of veren wordt eerst onderzocht op de groeirichting van de haren of veren, omdat een grote prooi vast kan komen te zitten in de keel als deze verkeerd wordt ingeschat en de slang kan stikken.

Gifslangen bijten hun prooi en wachten af tot deze dood is, wurgslangen grijpen de prooi met de bek, die voorzien is van vele, naar achter gekromde tandjes, en wikkelen zich om de prooi tot deze gewurgd is. Soms kiezen slangen een erg grote prooi uit, er zijn gevallen bekend die een volwassen krokodil hebben verzwolgen. Een slang doet er weken over om een dergelijk grote prooi te verteren. Gedurende deze tijd moet de slang zijn prooi meezeulen, en is veel zwaarder dan normaal. Slangen kunnen de prooi echter ook weer uitbraken als deze te veel last veroorzaakt.

    King Cobra

Slangen bewegen zich voort met behulp van de de buikspieren en de ribben. Er zijn verschillende manieren van voortbeweging, afhankelijk van de ondergrond en de steilheid van het terrein. Slangen die over een stevige ondergrond kruipen, bewegen zich vaak met de typische kronkelbeweging waarbij de slang zijn lichaam naar beneden afzet om vooruit te komen. Om in bomen te klimmen en in nauwe holletjes te kruipen, gebruikt de slang voornamelijk zijn buikspieren omdat hij niet kan kronkelen. Als de slang kruipt valt op dat het lichaam in dezelfde bocht blijft liggen en de voorliggende kronkels precies volgt.

Slangen die over rul zand of modder kruipen, maken meer zig-zaggende bewegingen omdat ze het lichaam afzetten tegen de ondergrond. Hierbij moet echter zo veel mogelijk gewicht op zo min mogelijk ondergrond worden gebrukt, omdat de slang anders wegglijdt, een bekend voorbeeld is de sidewinder. Enkele slangen zijn in staat om stukjes te zweven, door hun lichaam sterk af te platten en een gekrulde, wokkel-achtige lichaamshouding aan te nemen. Zo kunnen ze zich gecontroleerd van boom naar boom laten zweven.

  Gele rattenslang   

 

De slangen zijn net zoals alle dieren verdeeld in verschillende groepen, zoals families, onderfamilies en geslachten. Net als bij andere reptielen zijn sommige families veel bekender dan andere. In totaal zijn er 17 families, met als bekendere de boa's, adders, zeeslangen, gifslangen en de in Europa bekende gladde slangen, waartoe de inheemse gladde slang en de ringslang behoren. Families hebben vaak onderfamilies, bekende onderfamilies van bijvoorbeeld de familie adders zijn de ratelslangen (Crotalus) en de groefkopadders (Crotalinae). Soms veranderen wetenschappers de indeling van de slangen omdat de aanvoer van informatie tot nieuwe inzichten leidt. Een voorbeeld is de familie van zeeslangen, die lange tijd als een onderfamilie van de gifslangen werd beschouwd maar tegenwoordig als aparte familie wordt gezien.

De grootte van de families verschilt sterk, sommige tellen meer dan duizend soorten, twee families tellen slechts een enkele soort. De families zijn weer verdeeld in drie groepen die superfamilies worden genoemd. De eerste groep wordt Typhlopoidea genoemd en omvat drie families van relatief kleine, dunne slangetjes die meestal ondergronds leven en niet giftig zijn. De tweede groep heet Henophidia en bevat 7 families, waaronder de boa's en de pythons. Alle overige Henophidia-families zijn vrij onbekend en bestaan zowel uit op boa's gelijkende soorten als soorten die een totaal andere fysiologie en levenswijze hebben. Sommige families zijn giftig.

De derde groep wordt met Xenophidia aangeduid en bevat 'de rest'; de zeeslangen, de adders, de wrattenslangen, de gladde slangen en de familie Elapidae, die gifslangen wordt genoemd. Er zijn drie andere slangenfamilies met giftige soorten, de Elapidae worden echter als de gevaarlijkste giftige slangen gezien, voorbeelden zijn de mamba's, de koraalslangen en de cobra's.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2009 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 12 januari 2010