Kanker is een aandoening die gekenmerkt wordt door de volgende verschijnselen:
  • er zijn cellen die zich ongecontroleerd vermenigvuldigen en dit blijven doen;
  • de woekerende cellen breiden zich uit in omliggend weefsel en richten hier schade aan (invasieve groei of infiltratie);
  • de woekerende cellen verspreiden zich ook naar ver weg gelegen plaatsen in het lichaam (metastasering ofweluitzaaiing). Dit geschiedt via de lymfevaten (lymfogene metastasering), via het bloed (hematogene metastasering) en in aanwezige lichaamsholten (bijv. buikholte).
Het woord "kanker" is afgeleid van het Latijnse woord "cancer", dat oorspronkelijk "kreeft" betekent. De ziekte heet in hetDuits ook nog altijd "Krebs". De naam is o.a. reeds door Galenus aan de aandoening gegeven, omdat in vroeger tijden de ziekte werd herkend aan de opvallend rode, gezwollen bloedvaten in de nabijheid van de gezwellen, die de artsen van toen deden denken aan de rode pootjes van een kreeft.

 

Centraal in het ontstaan van kanker staan defecten in het DNA Deze defecten worden ook wel mutaties genoemd. Ze kunnen aanvankelijk op de volgende manieren verkregen worden:
  • Erfelijke mutaties
  • Verworven mutaties door infecties, fysische factoren en chemische stoffen.

Erfelijke mutaties. Er zijn mutaties bekend die overgeërfd kunnen worden en een sterk verhoogd risico geven op het ontstaan van kanker. In dit verband wordt ook wel gesproken over erfelijke kanker.

Infecties. Verschillende ziekteverwekkers worden in verband gebracht met het ontstaan van bepaalde typen kanker

Om daadwerkelijk kanker te krijgen moeten de mutaties optreden in genen die betrokken zijn het bij het reguleren en controleren van de celdeling. De volgende genen zijn met name van belang:
  • proto-oncogenen: Proto-oncogenen zijn gewoonlijk betrokken bij stimuleren van normale celdelingen. Indien een mutatie optreedt in een proto-oncogen verwordt deze tot een onco-gen. Een onco-gen zet de cel aan tot overmatige deling.
  • tumorsuppressorgenen: Deze genen zorgen er gewoonlijk voor dat cellen niet onbreideld door kunnen gaan met delen. Wanneer in tumorsuppressorgenen een mutatie optreedt kan de controle op de deling van de cel verdwijnen. Zodoende kan de cel ongestoord verder gaan met delen. Naast mutaties kunnen tumorsuppressorgenen ook op andere manieren uitgeschakeld worden. Sommige genen kunnen ook uitgeschakeld worden door hyper-methylering van de promoter-regio van het gen.
  • genen die de apoptose regelen: Normaal wanneer een cel niet meer op normale wijze functioneert, treedt er een 'zelfmoordmechanisme' in werking waardoor de cel te gronde gaat. Bij kanker zijn deze genen vaak uitgeschakeld.
  • genen die de DNA-repair regelen: Lichaamscellen hebben de beschikking over een DNA-reparatiesysteem. Hiermee kunnen afwijkingen in het DNA hersteld worden. Wanneer er een mutatie optreedt in een DNA-repairgen worden fouten in het DNA niet meer voldoende hersteld. Daardoor kunnen er steeds meer defecten ontstaan in het DNA.

Chemische stoffen. Van verschillende chemische stoffen is bekend dat ze kanker kunnen veroorzaken (carcinogenen).

Belangrijk om te onthouden is dat kanker pas optreedt wanneer in een aantal van de bovengenoemde genen mutaties zijn opgetreden. Verder is het zo dat met iedere mutatie de kans op nieuwe mutaties steeds verder toeneemt. Mutaties in proto-oncogenen en tumorsuppressorgenen maken mogelijk dat cellen ongebreideld kunnen delen. Bij iedere deling is er altijd (ook bij gezonde cellen) een kans op mutaties. Dat mutaties in DNA-repair genen de kans op nieuwe mutaties verhoogt, spreekt voor zich. Dankzij onderdrukking van de apoptose wordt de cel niet vernietigd.

 

Bij de ontwikkeling van kanker blijft het echter niet bij mutaties in de bovengenoemde genen. Naarmate het kankerproces voortschreidt, zullen er ook mutaties optreden waardoor:
  • nieuwe bloedvaten aangelegd kunnen worden naar de tumor in ontwikkeling (angiogenese)
  • de ontaarde cellen het omliggende weefsel binnen kunnen dringen (invasie)
  • de ontaarde cellen zich los kunnen maken uit hun omgeving en kunnen terechtkomen in andere plaatsen in het lichaam waar ze verder uitgroeien tot een tumor (metastasering)
  • de ontaarde cellen 'onsterfelijk' worden; normaal gesproken kan een cel niet vaker dan ongeveer 60 maal delen (Hayflick-limiet), kankercellen kennen deze limiet niet

Indien de ontaarde cellen uiteindelijk voldoen aan de kenmerken van kanker (ongebreideld kunnen delen, infiltreren in de omgeving en kunnen metastaseren), is er sprake van kanker.

 

Er zijn vijf soorten maligne tumoren:
  • Carcinomen uit epitheel.
  • Sarcomen uit steunweefsel.
  • Maligne lymfomen uit lymfoïde weefsel.
  • Blastomen uit cellen van zich ontwikkelend weefsel.
  • Kiemceltumoren uit kiemcellen.

   Osteosarcoom 

  • Er ontstaan gezwellen (tumoren). Hoewel het woord 'tumor' voor patiënten vaak een angstige bijklank heeft betekent het niet meer of minder dan 'zwelling'. Een tumor kan zowel goed- als kwaadaardig zijn. Een goedaardige tumor wordt ook wel benigne genoemd, een kwaadaardige maligne . Bij kanker is er sprake van maligne tumoren.
  • Kankerweefsel geneest niet goed en gaat makkelijk bloeden. Bloedverlies (b.v. bij ontlasting, urine, uit de tepel of bij hoesten) is een van de belangrijke vroege waarschuwingssymptomen.
  • De gezwellen drukken op andere structuren en belemmeren daarvan de werking. Bij de  darm kan bv. passage van voedsel onmogelijk worden; in botten kunnen breuken optreden; bij zenuwen kan pijn ontstaan; in het hoofd ontstaan er ook andere neurologische problemen zoals epilepsie.
  • Kanker veroorzaakt vaak verandering van de stofwisseling en regulatie daarvan (paraneoplastische syndromen), waaronder:
    • Verhoogde hormoonproductie.
    • Hersen-, zenuw- en/of spierafwijkingen.
    • Bloed en stollingsafwijkingen.
    • Huidafwijkingen.
    • Koorts (tumorkoorts)
    • Cachexie (vermagering), anorexie (verminderde eetlust)

Belangrijke beeldvormende onderzoeken zijn:

  • Röntgendiagnostiek
  • Echografie
  • MRI-scan (Faculteit Utrecht)

Naast beeldvormend onderzoek zal er ook in de meeste gevallen pathologisch onderzoek nodig zijn. Hierbij kan gekeken worden naar de kankercellen zelf (cytologie) en naar het verband tussen de kankercellen en de omgeving waarin ze liggen (histologie). Dit materiaal kan worden verkregen middels puncties met een naald of via operatieve verwijdering. Vaak wordt operatief gekeken hoe ver het kankerproces is uitgebreid in het lichaam (lymfeklieren en metastasen op afstand).

 

De behandeling van kanker kent twee mogelijke doelen:
  • curatie (genezing)indien mogelijk
  • palliatieve zorg (verzachten van de pijn en overige symptomen) als genezing niet meer mogelijk is

Binnen de dierengeneeskunde  bestaan de volgende behandelingsopties:

  • Chirurgie
  • Radiotherapie (Faculteit Utrecht)
  • Chemotherapie (Faculteit Utrecht) met behulp van cytostatica

Afhankelijk van de gevoeligheid voor het type behandeling van de tumorcellen, en/of mogelijkheid om het totaal operatief te verwijderen, en/of aanwezigheid van metastasen, wordt een combinatie van verschillende typen behandelingstechnieken gebruikt. De verschillende methoden kunnen in het kader van zowel de curatie als palliatie gebruikt worden. Als er nog geen metastasen zijn, is het chirurgisch verwijderen van de tumor soms curatief. Bij te ver gevorderde kanker kan soms toch besloten worden tot chirurgie om bijvoorbeeld de pijn van de patiënt te verminderen.

 

Naast behandeling van het kankergezwel zelf, worden ook de symptomen zelf en bijwerkingen van de behandelingen behandeld door:

  • Pijnstillers en medicamenten die het effect van de pijnstilling versterken.
  • Medicamenten tegen misselijkheid, of obstipatie, of droge mond.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan webmaster@dierenkliniek-willig.com.
Copyright © 2009 Dierenkliniek Willig
Laatst bijgewerkt: 12 juli 2009